De Lelievlet

Na de Tweede Wereldoorlog waren er geen geschikte schepen voor de zeeverkenners. Er werd dan ook gevaren met alles wat te verkrijgen en betaalbaar was. Het grote probleem was dat deze schepen ongeschikt waren voor het doel. Wedstrijdvaren was daarom niet mogelijk. De voorloper van de vlet was een zogenaamd vleugbootje, bestemd voor de Zeeuwse vissers. Hieruit is in 1945 voor een beroepsschipper het eerste vletje gebouwd. Ze werden iets dieper dan de vleugbootjes en van luchtkasten voorzien.

In 1956 kwam schipper Stokman – leider van een zeeverkennersgroep uit Breda – bij de firma Beenhakker met het verzoek om 2 proefboten te bouwen waarvan 1 voor eigen rekening. Deze boten moesten aan de volgende criteria voldoen:

  • in de eerste plaats een roeiboot met ruimte voor 5 á 6 personen;
  • een mogelijkheid tot wrikken;
  • eenvoudig zeilen moet mogelijk zijn.

De 2 proefschepen werden gebouwd in de lengte 4,80 en 5,60 meter, met gelijke zwaardkasten en met het zelfde tuigage van 12 m². De zwaardkasten waren gelijk met een grote schuine kant. De masten – sparretjes – waren met beugeltjes aan het voorschot bevestigd.

Het model van 5,60 meter liep beter dan het model van 4,80 meter, zodat voor het model van 5,60 meter werd gekozen. In eerste instantie werd hierop door de NPV afwijzend gereageerd. In 1958/1959 zag schipper Koopman uit Dordrecht er wel wat in en kocht hij er één voor eigen rekening om te gebruiken in een NPV-groep.

Door Bert Nagelkerke en Henk Bos werd in 1969 de ‘Thor Heyerdaal’ zeeverkennersgroep in Heemskerk opgericht en door het ontbreken van voldoende financiën werd besloten tot zelfbouw van de lelievlet over te gaan. Landelijk waren er geen tekeningen beschikbaar, zodat de gegevens op basis van de bestaande vletten moesten worden verzameld. Aan de hand van deze gegevens werden tekeningen gemaakt en werd een serie van 6 vletten gerealiseerd.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *